(Zesde gesprek met Het Hoofd)

Dag meneer Het Hoofd, ook op straat in deze storm?

Zo, jongeheer F. Ja, mijn vele gedachten nopen mij weer eens tot het maken van een wandeling. Middels stevig marcheren breng ik ze in het gelid.

Ah, meneer Het Hoofd is disciplinair onderlegd. Permitteert u mij een ontboezeming: Ikzelf ben meer van de vrije lyriek, hoe harder het waait, hoe liever het mij is. Verweerde hersenspinsels verwaaien, en maken zo ruimte voor verse.

A propos: uw mars in deze storm lijkt mij zinloos: uw gedachten verwaaien eerder dan dat u ze in het gelid krijgt.

U onderschat het soortelijk gewicht van mijn gedachten, jongeman. Wind en tijd zijn trage actoren. Mijn gedachten eroderen slechts ongemerkt tot steeds rondere vormen. Uiteindelijk zal alles van ze afglijden, en verworden zij tot gruis.

Gunt u de scherpe randjes van uw zwaarste gedachten alstublieft enige luwte, meneer Het Hoofd. Voor mijn vluchtige spinsels vormen zij de broodnodige ankerpunten.

Wees gerust jongeman, mijn mars is even traag als de tijd.