Dit is de veertiende in een serie van (voor zover de wifi het tijdens de vakantie toelaat) dagelijkse reisverslagen. De aanleiding voor onze reis vindt u hier.

Het is verdomme besmettelijk.

Dat sporten, bedoel ik. Ongemerkt heb ik hier in Canada al twee keer een stukje hardgelopen, en heb ik zelfs twee uur op een racefiets gezeten.

Vanmorgen heb ik voordat we de deur uitgingen voor de zekerheid nog maar even in de spiegel gecontroleerd of mijn toestand niet verder was verslechterd. Ik zag gelukkig geen felgekleurde bejaardenkousen, ik kon ook geen rood ontstoken M-vormige vlek op mijn kuit of schouderblad ontwaren, en mijn oksels stonken niet naar chloor, neopreen of vaseline.

Ik prijs me gelukkig dat ik zo’n standvastig, volhardend persoon ben. Dat consciëntieuze karakter van mij stelt me in staat om iedere dag trouw de mij voorgeschreven dagelijkse dosis antistoffen in te nemen. Zo blijven de gevolgen beperkt. Beperkt en van tijdelijke aard.

Morgen zal het startschot klinken. Dat is het einde.

Maandag begint de ontwenningskuur van mijn verplaatsingsverslaafde echtgenote.

Fred recenseert de hele reis:

Welkom bij aflevering 14 van mijn dagelijkse reisrecensies. Vandaag recenseer ik:

de tijd staat open

Gisteren hoorde ik van het overlijden een van de grootste dichters die Nederland ooit gekend heeft. Gerrit Kouwenaar is 91 jaar oud geworden.

‘de tijd staat open’ verschafte mij, door de welhaast zakelijke precisie en de schijnbaar afstandelijke schrijfstijl waarmee die bundel geschreven was, een begrijpelijke, en inspirerende ingang tot de poëzie.

Nadat ik alles van Kouwenaar gelezen had, lag de weg open. Ik verslond de hypertalige Lucebert, ik las alles van K. Michel, Hagar Peeters, Nachoem Wijnberg, Ramsey Nasr, Mustafa Stitou…

Maar het begon dus bij Gerrit Kouwenaar. Het begon toen ik niet las ‘ik moet …’ maar ‘men moet…’

men moet

Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen

men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder

men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters
een harnas aanmeten, ijswater koken leren

men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen
zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen

men moet nog een kuil graven voor een vlinder
het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge –

In eerste instantie lijkt het de dichter niet te gaan om wie er moet, maar om wat er moet.

Maar wie verder leest, begrijpt dat de dichter wanhopig probeert om afstand te creëren. Uit pure noodzaak, om met een voor de dichter niet te bevatten deel van de realiteit (en wellicht ook van zichzelf) om te kunnen gaan.