Welkom bij aflevering 68 van mijn recensie-rubriek. Vandaag recenseer ik:
mijn oordopjes

Mijn gehoor is uitermate West-Indisch. Ik heb moeite om geluiden selectief uit te filteren, zoals een microfoon dat ook slecht kan. Voor microfoons is dan weer softwarefiltering ontwikkeld.

Mijn filtersoftware werkt maar matig. Iedere onregelmatige herhaling van een geluid zet mijn interne kat aan: watishetwatishetwatishet? Ik zit zogezegd minder in mijn concentratie dan op mijn apropos.

Stemmen zijn het moeilijkst te filteren. Vang ik één zin op zonder context, dan ben ik verloren.

Twee voorbeelden:

‘Jij lijkt me nou niet echt het brei-en-borduurtype.’ (Een doorgaans vrij serieuze collega aan een dito collega.)

‘Die mol in de tuin is nog een slimme mol ook. Ik had twee vallen gezet, en die waren alletwee geklapt, maar hij zat er niet in.’ (Deftige dame met deftig glas witte wijn tegen dito dame met dito glas op een Gooisch terrasch).

Het gebeurt regelmatig dat mijn vrouw me vraagt waarom ik lach, en dat ik haar dan vertel hoe het gesprek twee tafels verderop verloopt. Waarop zij weer vraagt of ik wel naar háár geluisterd heb. Het antwoord laat zich uiteraard raden. Uiteraard.

Dat is het enige voordeel van slechte filtersoftware: je leert ervan te multitasken, te multitracken zo u wilt.

Los van die meersporenopnames is al dat geluid vooral vermoeiend. De herrie! Ben ik langer dan twee uur aanwezig bij een of ander evenement, dan ben ik auditief afgestompt, chagrijnig, wil ik naar huis.

Omdat er qua interne bedrading en programmering niet zoveel te veranderen valt, zocht ik mijn heil in de hardware. Oordopjes dus. Mijn geluiduitsluiters, mijn oorkleppen, mijn humeurfilters.

Ook leuk: in een museum op iemand afstappen die geconcentreerd naar een schilderij staat te kijken, dan je oordopjes uitdoen, en vragen of hij zijn gedachten wil herhalen omdat je ze even niet verstond.

IMAG3024.jpg
ieder geluid is zijn eigen anti-geluid