Welkom bij aflevering 62 van mijn recensie-rubriek. Vandaag recenseer ik:

het onkruid tussen de tegels

In een goed onderhouden tuin jeukt onkruid even erg als het bijna uitgeharde bloedkorstje op je knie. Je weet wel, dat roodbruine korstje waaroverheen je spijkerbroek schuurt bij iedere stap die je zet.

En je kunt ervan uitgaan dat het euvel, als je het wegpulkt, binnen afzienbare tijd in alle hevigheid terugkeert.

Aan de andere kant, onkruid is ook kruid. Om de Amerikaanse dichter Emerson te parafraseren: onkruid is een plant waarvoor we nog geen nut hebben kunnen bedenken.

Enkele jaren geleden schreef ik dat mijn vader, meer nog dan het onkruid in de tuin, het onkruid in zijn hoofd wiedde.

(Hij voelde zich in de laatste jaren voor zijn pensioen niet meer op zijn plek bij het bedrijf waar hij al vele jaren werkte. Wanneer hij van kantoor thuiskwam, liep hij steevast eerst de tuin in.)

Toen ik die zin in 2013 opschreef, voelde ik dat het klopte. Maar pas nu – nu enkele mensen van wie ik dacht dat ik ze als familie kon beschouwen verre van oprecht blijken te handelen – heb ik ervaren hoe dat opkuisen van het brein precies in zijn werk zou kunnen gaan.

Volgens mij begint het wieden met de vraag: wat is belangrijker, de irritaties in het hoofd, of het onkruid tussen de tegels?

De vraag is van een bedrieglijke eenvoud, maar het zal u verbazen hoe zoiets triviaals als onkruid plotseling heel relevant blijkt. Mijn hoofd en mijn tuin knappen er zichtbaar van op.

Het nut van onkruid ligt besloten in het wieden ervan. Al het andere is er om los te laten.