Welkom bij aflevering 61 van mijn recensie-rubriek. Vandaag recenseer ik:

het reclamevliegtuig

U kent ze wel: die kleine bromvliegjes met een wapperende slinger waarop teksten staan als

MEGATRACTORPULLING LOCHEM 17 UUR

of

WIM HENSUMS BOXERSHORTS

Je bent blij dat je het kunt lezen, maar je bent teleurgesteld dat je het las.

Toen we ook fysiek nog klein waren noemde mijn broer zo’n reclamevliegtuigje altijd ‘vliegtuig-met-een-karretje’. Poëtisch, maar onbedoeld poëtisch, alsof hij in zijn hoofd de uitvinding van het wiel ongedaan had gemaakt.

Mijn beste vriendje van vroeger bezat die zelfde poëtische blik. Ook bezat hij veel speelgoedauto’s, waarvan de vrachtwagen-met-oplegger-voor-personenauto’s zijn favoriet was. Hij noemde ze auto-auto’s. Een woordvondst die mij later nog vele malen in verwarring zou brengen, onder andere bij het innemen van woorden als koppie-koppie, hoihoi en taaitaai, en later nog eens bij begrippen als schrijversschrijver en Baden-Baden.

Toen iedereen ophield met spelen en begon met werken, kwam ik voor het eerst in aanraking de overtreffende trap van het herhaalwoord: bepaalde types, meestal tijdens bepaalde bijeenkomsten, beantwoorden de vraag hoe het met ze gaat met: ‘Drukdrukdruk’.

Omdat dit dezelfde poëzieloze types zijn die het verhaal over zichzelf direct nogmaals opdissen zodra één persoon zich bij het bestaande gezelschap van zeven heeft gevoegd, beantwoord ik het ‘drukdrukdruk’ doorgaans met een gepast: ‘Dan zal ik je niet langer ophouden.’

(Wat ook leuk verwarrend werkt is deze: ‘Drukdrukdruk? Maar als je tijd hebt om drie maal hetzelfde te zeggen, dan heb je toch alle tijd?’ Maar aan die respons kleeft weer het risico van onbegrip: voor je het weet word je gevraagd om een en ander uit te leggen. En dat moet bij deze types ook altijd drie keer.)

Hoe dan ook, op zijn verjaardag kreeg mijn vriendje een hele grote auto-auto, van Playmobil. Daar zette hij alle andere auto-auto’s op, keek mij aan en exclameerde: ‘Auto-auto-auto!’ Ik hield van hem.

Tegenwoordig fantaseer ik wel eens dat ik zo’n reclamevliegtuig inhuur. Ik zou het tuigje boven de woonplaats van mijn jeugdvriendje laten cirkelen, met op de sleep de tekst:

← CESSNA

Mijn jeugdvriendje zou het zien, hij zou denken: ‘reclamevliegtuigvliegtuigreclame’, en hij zou weten dat ik aan hem denk.