Welkom bij aflevering 56 van mijn recensie-rubriek. Vandaag recenseer ik:

de dromedaris

Ik heb een beetje met de dromedaris te doen. Het dier is en blijft toch altijd een beetje het ondergeschoven kindje van de kamelenfamilie.

Ga maar na: het heet de kamelenfamilie, en niet de dromedarisfamilie, de dromedaris heeft een bult minder, en om het minderwaardigheidscomplex van het dier nog verder te versterken roept iedere allochtoon die naar hem wijst: ‘Kijk, een kameel!’

Onlangs was ik in een groot saunacomplex, zo eentje met twintig bhoeddabeelden, een zesbaans vijfentwintigmeterijsbad, en uitgebreide bewegwijzering plus invoegstroken.

Er was daar een bordje met een pijl, met daarop de aanwijzing ‘Dromedarium’. Vol verwachting klopte mijn hart, maar helaas bleek het geen kuuroord of yogaruimte voor dromedarissen, maar een slaapruimte voor mensen te zijn, bedoeld om te dromen.

Ik vond dat een goed gevonden (want vergezochte) woordvondst. Immers: de gemiddelde dromedaris kijkt nogal dromerig uit de ogen, en ik kan me zo voorstellen dat de lange telgang door de woestijn ook leidt tot extensief dagdromen.

Het was hoe dan ook fijn om de dromedaris eens niet onderdrukt te zien worden door de allesoverheersende kameel. (Ik heb overigens geen idee wat je in een ‘Kamelium’ zou kunnen aantreffen.)

Dit alles geconstateerd hebbende; de gemiddelde dromedaris lijkt niet bijzonder te lijden onder het feit dat hij altijd in de schaduw zal staan van de kameel. Wellicht is die meditatieve capaciteit daarvan de oorzaak.

Maar misschien schat ik het karakter van de dromedaris wel verkeerd in en lacht hij de kameel stiekempjes uit, in de wetenschap dat er geen sigarettenpakje ter wereld bestaat waarop onder het woordje ‘Camel’ daadwerkelijk een kameel staat afgebeeld.