I.

po·ë·zie (de; v)
1. dichtkunst

dicht·kunst (de; v)
1. de kunst van het dichten

dich·ten (dichtte, heeft gedicht)
1. verzen maken

vers (het; o; meervoud: verzen)
1. versregel
2. klein gedicht

ge·dicht (het; o; meervoud: gedichten)
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk; vers

II.

de·fi·ni·tie (de; v; meervoud: definities)
1. beschrijving van wat iets is: per definitie uit de aard der zaak, vanzelfsprekend

woor·den·boek (het; o; meervoud: woordenboeken)
1. boek of bestand waarin de woorden van een taal in een bep. volgorde, bv. alfabetisch, zijn gerangschikt, met de verklaring of vertaling ervan

wat poëzie in de praktijk betekent
  • poëzie: de kunst van het kleine, in versmaat of in dichterlijke stijl opgestelde stukken maken
  • (dichterlijk: overeenkomstig het wezen van een dichter)
  • poëzie: de kunst van het kleine, in versmaat of in een stijl overeenkomstig het wezen van een dichter opgestelde stukken maken
  • (dichter: iemand die geregeld poëzie schrijft
  • poëzie: de kunst van het kleine, in versmaat of in een stijl overeenkomstig het wezen van iemand die geregeld poëzie schrijft opgestelde stukken maken