de toeschouwer

Zodra de evangelist aan zijn eerste recitatief begint, voel ik weer hoe ongemakkelijk zo’n kerkbank eigenlijk zit. Vergeten is de wonderschone ouverture van de Johannes Passion, er is enkel nog hout.

Toegegeven; Jezus is ook geen Plácido Domingo, maar de stem van de evangelist snijdt door mijn schedel als een cirkelzaag door een blik kidneybonen.

Even koester ik de hoop dat het de zenuwen zijn die zijn stembanden knijpen, dat de reeks lange koralen en aria’s op de stem van de evangelist een kalmerende werking zullen uitoefenen, maar die hoop blijkt ijdel. Iedere keer als de evangelist van achter zijn pilaar verrijst, iedere keer als hij met zijn zelfingenomen blik de zaal inkijkt, sla ik mijn ogen neer, maak ik mijn plaatsvervangende excuses aan de componist.

Met zijn benepen mondje, en zijn spiedende kraaloogjes. Hij lijkt precies een rat. Een beetje een pafferige rat.

Hij heeft geen kin.

Als de rat uitgezongen is, draait hij zich hemeltergend traag om, en kijkt het publiek daarbij aan alsof hij Pavarotti zelf is. Hij doet een pas richting pilaar, draait weer terug, slaat de flappen van zijn rokkostuum omhoog, en zakt dan weg achter de pilaar.

Op rij drie sla ik deemoedig mijn ogen neer, en bid ik tot Bach. Dat daar achter die pilaar de moeder aller ranzige toiletpotten moge staan.

de performer

Tweehonderdvijfenzeventig mensen, zei de dirigent. O god! Als die eerste noot maar raak is. Die eerste noot moet raak zijn. Alleen maar naar de dirigent kijken, Pascal. Pas als je weer mag zitten even richting zaal.

Zou ze er zijn?

“…verherrlicht worden bist.” Einde koor, nu rustig gaan staan; voorvoeten, schouderbreedte. Volg de dirigent, en dan gewoon die hoge A. Vanmiddag lukte het ook.

Raak! Nou komt het wel goed.

Jezus, zong ik nou Jüdas? Fücking Umlaut.

Kom op, Pascal, draag jezelf. Hoog staan, kin omhoog, ze hield van zelfverzekerde mannen.

Was ik maar Jezus.

Klaar. Nu rustig gaan zitten.

Zou zij het zijn, daar op de derde rij?
Die gast naast haar kijkt alsof hij moet poepen.