‘Je weet hoe ik ben.’
‘Dat is het hem juist.’
‘Maar je kunt me toch wel komen halen?’
Renske wrijft zachtjes met haar vingertoppen over haar rechter onderarm, de ribbels stellen haar gerust.
‘Ze willen me hier niet zomaar laten gaan.’
Tom pakt een fles cola uit de koelkast en schenkt zich een glas in.
‘Is het ernstig?’
‘Linkerpols. Negen hechtingen.’
Tom neemt een slok, en kan zich niet inhouden; ‘Overdwars zeker?’
Renske kijkt naar de bandage en naar haar kortgebeten nagels. ‘Aandachttrekkerij’, hoort ze Tom zeggen. ‘Ik kap ermee, Renske, ik ga naar de kroeg.’
Ze hoort hoe hij zijn sleutels van de tafel grist.
‘Tom’, roept ze. Een verpleegster zet een glas water naast haar bed. ‘Tom. Ik heb gedroomd.’
‘Ik ook’, zegt Tom. ‘Ik droom vaak dat ik in het water lig, met nog heel veel gezichten om me heen. Het is nacht, maar het is niet donker. Er is een reddingssloep, ‘Max. 10 personen’ staat er op de wand. Ik klim erin, en met ons tienen schoppen we alle handen van de reling.’
‘Jezus, Tom.’ Weer wrijft ze over de littekens op haar onderarm. ‘En toen?’
‘En toen roeiden we naar huis.’
Even zijn ze beiden stil.
‘Ik krijg het geluid van krassende nagels op de romp niet uit mijn hoofd, Rens.’
De verpleegster komt terug en zet een bekertje met zes pillen naast het glas.
‘Kom je me halen?’