Ineens was hij daar, dat zwarte gat. Of misschien was hij daar altijd wel al geweest, maar zag ik hem aan voor een blinde vlek. Bij wijze van spreken dan, want een blinde vlek, die zie je niet. Een blinde vlek, daar loop je dwars doorheen, zonder dat je het beseft.

Maar ineens zag ik hem dus, midden in mijn werkkamer. Een heel klein zwart puntje, niet veel groter dan een potloodpunt. En met mijn zien is de blinde vlek in een zwart gat veranderd. Ik had net met mijn vrouw gebeld – ze baalde dat ik weer niet thuis zou zijn voor het eten – en toen viel het puntje me op.

Ik weet veel over zwarte gaten, dat is mijn werk. Ik interpreteer de data die onze ruimtetelescopen naar de aarde terugsturen. Dus ik weet hoe je met zwarte gaten moet omgaan. Je moet er omheen. Met een ruime boog, want zwarte gaten hebben een enorme aantrekkingskracht. Kom je te dichtbij, dan is er geen ontsnappen meer aan.

Mijn vrouw zegt dat ze graag wil salsadansen. Ik heb haar gezegd dat ze dat vooral moet doen.

Ik ben er dwars doorheen gelopen, door die blinde vlek. En dus zijn er deeltjes van mij in dat potloodpuntje achtergebleven. Ik snap alleen niet goed hoe ik daar niets van heb gevoeld.

En wat moet het daar nou juist op míjn kamer?