Waar hij ook kijkt, Hans vindt zijn naam niet tussen de andere namen.
    ‘Frank en Julia,’ leest hij, ‘Rust zacht, Jan en Henny’. Ook ziet hij een kransje met een wit lint aan de voet van de kist staan. ‘Monique en Peter’ staat erop. ‘En de kinderen’ in een sierlijk lettertype op het andere uiteinde. Dat laatste komt hem ongepast voor.
    Er is geen lint met ‘Hans, Tim en Lotte’ zoals hij via internet heeft besteld. Tweehonderdvijfenzeventig euro heeft hij betaald. Exclusief bezorgkosten. Hij had nog nagebeld om zich ervan te verzekeren dat ze de krans prominent naast de kist zouden plaatsen, maar de grootste krans die hij ziet is nog geen halve meter hoog.
    Monique is er al, ze staat vooraan in het rijtje van handenschudders, met Peter. Die staat de condoleances in ontvangst te nemen alsof het zijn eigen moeder betreft.
    ‘Ga je niet condoleren?’ vraagt Hans’ vriendin.
    De gedachte zijn huilende kinderen als een buitenstaander, als een vreemde, de hand te moeten schudden weerhoudt Hans ervan aan te sluiten in de rij. En moet hij de nieuwe vriend van zijn bijna ex-echtgenote dan ook condoleren?
    ‘Ik ga even een sigaret roken.’
    ‘Hans, zie jij onze krans? Ik zie onze krans niet.’
    Maar Hans reageert niet, hij loopt naar de uitgang.
    Wanneer hij drie vriendinnen van zijn ex binnen ziet komen, stapt hij een zijkamer in. Met zijn rug tegen de deur steekt Hans een sigaret op. Hij sluit zijn ogen en blaast de rook naar het plafond.
    Wat doet hij hier? De moeder van zijn ex en hij hebben elkaar nooit gemogen. En nu zou hij haar de laatste eer moeten bewijzen?
    Hij heeft het gezelschap van de rouwende medemens zorgvuldig vermeden. Ook vandaag was hij het liefst weggebleven, maar Natasja had erop aangedrongen dat hij zou gaan. ‘Denk aan je kinderen, Hans,’ had ze gezegd. ‘Het is hun eerste dode.’ Wat technisch gesproken niet helemaal waar was, maar op de dag dat zijn eigen vader gecremeerd werd, had Hans zijn kinderen een dagje pretpark cadeau gedaan. ‘Mijn kinderen moeten lachen, niet huilen,’ had hij tegen zijn moeder gezegd.
    Hij opent zijn ogen. Een meter bij hem vandaan staat een kist van notenhout, verder is er niemand. Ze hebben deze dode alleen gelaten.
    Hans werpt vlug een blik in de kist. Het is een man, een man van ongeveer vijfenzestig jaar oud, schat hij, maar hij kan net zo goed veertig zijn. Voor de doden zelf doet leeftijd er ook niet meer toe.
    Met zijn elleboog leunt Hans op de kist, hij neemt nog een trekje. Dan pas ziet hij de bloemstukken.
    ‘Rust zacht, oma. Hans, Tim en Lotte’ leest hij.

Natasja vindt hij terug op de parkeerplaats. Ze leunt tegen de motorkap van zijn Mercedes, ze rookt een sigaret. Zodra ze Hans ziet gaat ze rechtop staan.
    ‘Waar was je nou? Ik ken hier toch niemand.’
    Met haar rechtervoet drukt ze de sigaret uit in het grind, maar ze verliest haar evenwicht en valt. Een groepje bezoekers kijkt verstoord in hun richting. Hans helpt zijn vriendin aan haar elleboog omhoog.
    ‘Ik zei toch dat die hakken niet konden,’ sist hij. ‘Hup, naar binnen.’
    Wanneer ze de gang naar de condoleanceruimte voor de tweede keer betreden is de wachtrij alleen maar gegroeid. Hans trekt Natasja de kamer van de dode man in.
    ‘We gaan onze krans bijzetten.’
    ‘Hans, dat ga ik niet doen. Dat is onfatsoenlijk.’
    ‘Weet je wat onfatsoenlijk is? Condoleren voordat de kist de grond ingaat. Hup, duwen.’
    Met staander en al slepen ze de krans langs de wachtenden in de overvolle gang. Hans loopt voorop, half gebukt, met zijn kont in de looprichting. Halverwege de gang loopt hij tegen iemand aan. Hij werpt een blik over zijn schouder en ziet dat het de vrouw is die hij zich alleen herinnert als die dikke sherry-feministe.
    ‘Personeel,’ roept hij. ‘Aan de kant, mensen. Beetje ruimte, beetje respect.’
    Hans hervat zijn verplaatsingswerkzaamheden en duwt de vrouw daarbij tegen de muur.
    ‘Hans! Doe normaal,’ fluistert zijn vriendin.
    ‘Ik doe niets ongewoons, Natasja. De mensen mogen best zien hoe groot ons verlies is.’
    Bij de ingang van de condoleanceruimte moeten ze een bocht maken, de kist met de ex-schoonmoeder staat links in de hoek opgesteld.
    ‘Draai nou mee. Je moet meedraaien, dat zie je toch?’
    ‘Lukt het?’ hoort Hans een stem achter zich. Hij kijkt om, het is de vriend van zijn ex.
    ‘Ah, Peter. Je komt als geroepen,’ zegt Hans, ‘vrouwen en ruimtelijk inzicht, hè.’
    ‘Ik vind dit niet zo’n goed idee, Hans,’ zegt Peter.
    Hans gaat rechtop staan. Peter is een kop kleiner dan hij.
    ‘Ze hebben de krans bij de verkeerde dode gezet. Snap jij dat nou? “Lieve moeder” op het lint, bij een dooie vent? Maar goed, kan gebeuren. Wij herstellen dat foutje eventjes.’
    ‘Het is hier te vol, Hans. Al die mensen.’
    Hans doet een klein stapje naar voren.
    ‘Het is voor mijn kinderen, Peter, hun namen staan erop. Als jij nou even helpt, is het zo gepiept.’
    Maar Peter richt zijn aandacht op Natasja.
    ‘Dag mevrouw. Ik ben Peter Vanendert, en u bent?’
    ‘Natasja.’
    ‘Ah, de vriendin van.’ Peter glimlacht, ‘Ja, ik dacht, ik vraag het maar even, ik zag uw naam zo gauw niet op de krans staan.’
    Hans ziet hoe de ogen van zijn vriendin over het lint schieten.
    ‘Kom, we gaan eerst even snel condoleren,’ zegt hij. Hij trekt Natasja aan haar pols mee, en negeert haar protesten. Vooraan in de rij breekt hij in.
    ‘Sorry, wij moeten er even tussen. De dode is de oma van mijn kinderen.’
    Het paar voor hen neemt alle tijd met de familie.
    ‘Staat mijn naam er niet bij, Hans?’ Natasja kijkt om. ‘Je hebt mijn naam er godverdomme niet op gezet?’
    Hans geeft Monique een hand, trekt haar naar zich toe en geeft haar een zoen op de wang.
    ‘Gecondoleerd,’ fluistert hij, en dan luider, ‘Monique, dit is Natasja.’
    ‘Dag mevrouw, hoe maakt u het?’ zegt Natasja.
    ‘Kan het weer niet normaal?’ zegt Monique, ‘moet je de kinderen weer voor schut zetten? Met die belachelijke krans?’
    ‘Wat is daar mis mee?’ Hans kijkt om en ziet hoe Peter en een medewerker van het rouwcentrum het gevaarte optillen. Oké, de bloemen zijn misschien wat uitbundig gekleurd, geel, rood en wit, en de gouden belettering op het lint is niet echt ingetogen, maar het geheel is die tweehondervijfenzeventig euro meer dan waard.
    ‘Ik wil hem niet.’
    Hans buigt zich naar Monique toe en fluistert: ‘Een ding moet je goed onthouden, Monique. Die krans? Die is niet voor jou. Ik weet dat je alles wil, alles wat ik bezit. Maar alles wat je denkt te bezitten, is allemaal van mij. Het huis waar je woont, de auto waarin je rijdt, het bed waarin je vriendje slaapt. Alles. Jij wil een scheiding? Prima. Maar dat is alles wat je krijgt.’
    ‘Ga weg, Hans. Ik wil dat je weggaat. Je stoort. Geef de kinderen een hand, en verdwijn alsjeblieft.’
    ‘Mooie jurk, trouwens, die zal ik ook wel betaald hebben. Die moet ik ook terug. En die krans, die is niet voor jou, die is voor mijn kinderen. Hoor je me? Míjn kinderen.’
    Met een kleine glimlach om zijn lippen loopt Hans naar Tim en Lotte. Zodra zijn dochter hem ziet barst ze in snikken uit, en vliegt ze in zijn armen.
    ‘Rustig maar schatje, rustig maar. Papa neemt je gauw weer mee naar een pretpark.’
    ‘Pa, ze is zeventien,’ Tim kijkt zijn vader boos aan.
    ‘Weekje Curaçao dan.’ Hans kijkt zijn dochter verwachtingsvol aan. ‘Lijkt je dat wat, Lotte?’
    ‘Ibiza,’ zegt ze.
    ‘Ibiza is vast ook prachtig.’
    ‘Eikel,’ zegt zijn zoon.
    ‘Mag Tim ook mee?’ vraagt Lotte.
    ‘Als hij wil.’
    ‘En is Natasja er dan ook?’
    Hans kijkt om zich heen.
    ‘Als jij niet wil dat ze meegaat, hoeft ze niet mee, schatje. Maar je moet nu wel ophouden met huilen, hoor je me?’
    Hij veegt de tranen van het gezicht van zijn dochter.
    ‘Ik vond je krans wel mooi hoor, pap.’ Ze lacht door haar tranen heen. ‘Ik weet trouwens wat ik ga doen. Rechten, in Amsterdam.’
    ‘Dat is mooi, meisje.’ Hans kijkt de zaal rond, maar hij kan zijn vriendin niet vinden tussen de andere gasten. ‘Hoe laat gaan jullie oma eigenlijk begraven?’
    ‘Half twaalf. We gaan zo weg. Je bent er toch wel bij, pap? Je moet erbij zijn.’
    Voordat Hans zijn dochter kan antwoorden, wordt hij op zijn schouder getikt.
    ‘Hier, deze moest ik aan jou geven.’
    Hans grijpt de autosleutel die Peter hem voorhoudt, duwt Peter opzij, en loopt de zaal uit.
    ‘Leuke vrouw,’ roept Peter hem nog na.

    Rond zijn Mercedes heeft zich een groep gasten verzameld. Als Hans dichterbij komt wijken ze uiteen. ‘Eikel!’ staat er in de motorkap gekrast. Daaronder heeft ze nog meer geschreven: ‘groet, Naamloo’. De laatste ‘s’ vindt hij terug boven het linker voorwiel. Hans stapt in zijn auto, zijn portemonnee en de autopapieren liggen op de bijrijdersstoel. De gasten hebben de gelederen weer gesloten, ze volgen iedere beweging.
    Dit heeft met rouw niets te maken, vindt Hans. Hij start de auto en geeft vol gas. De wielen slippen in het grind, de begrafenisgasten springen opzij. Wanneer hij de hoek om is zet hij de wagen stil, legt zijn hoofd op het stuur, en begint te schelden. Eerst zachtjes, dan steeds harder, tot hij het uitschreeuwt. Hij slaat tot twee keer toe hard met zijn voorhoofd op het stuur.
    Ineens is het over. Hans ademt een paar keer diep in en uit, en bekijkt zichzelf in de achteruitkijkspiegel. Met een ruk draait hij zich om. De achterbank van de Mercedes is neergeklapt, tussen de wielkasten ligt zijn rouwkrans.

Wanneer Hans de zaal weer betreedt is het condoleren ten einde, de meisjes van het uitvaartcentrum gaan rond met grote thermoskannen, hier en daar klinkt een voorzichtige lach. Monique staat bij de kist, Tim staat naast haar en heeft een arm om haar schouder geslagen. Lotte krijgt een knuffel van Peter.
    ‘Monique en Peter, en de kinderen.’ Hans ziet de bekraste motorkap van zijn Mercedes weer voor zich, en stapt op Peter af.
    Uit het niets begint Monique onbedaarlijk te snikken, ook Tim en Lotte barsten in huilen uit. Hans houdt stil, in het midden van de zaal. Even kijkt hij om zich heen, en grijpt dan de microfoon op het podiumpje.
    ‘Geachte aanwezigen, mag ik uw verdriet een kort moment onderbreken?’
    De zaal valt niet meteen stil.
    ‘Dames en heren, beste rouwenden. Ik weet zeker dat de hoofdgast geen bezwaren heeft als ik mijn vrouw en kinderen even toespreek.’
    Dat helpt.
    ‘Monique, ik zal je eerlijk bekennen dat ik hier vandaag helemaal niet wilde zijn. Het liefst had ik vandaag met Tim en Lotte een pretpark bezocht. Zoals op de dag dat mijn vader begraven werd.’
    Hans kijkt zijn kinderen even aan.
    ‘Weet je nog Tim? De Efteling? Mooie dag was dat. Jij maakte de ene looping na de andere, de hele dag door. En Lotte, jij was de prinses van het sprookjesbos. Jullie waren zo blij.’
    Hans wendt zich tot het publiek.
    ‘Iedereen hier weet dat een mens gedefinieerd wordt door hoe hij met zijn omstandigheden omgaat. Hij kan zich overgeven aan de treurnis, hij kan zich wentelen in zelfmedelijden, en verstrikt raken in zijn verdriet. Maar een mens kan ook zeggen: oké, dit zijn mijn omstandigheden. Ik begroet ze met een lach, en ik zet ze naar mijn hand.’
    Er klinkt wat geroezemoes in de zaal.
    ‘Dat is wat ik jullie wil meegeven, Tim, Lotte. Toen jullie moeder depressief werd, heb ik me niet laten meeslepen. Toen ze de deur van de logeerkamer dicht deed en de gordijnen sloot, en jullie aan je lot overliet, heb ik goed voor ons gezorgd. Ik ben gaan golfen, ik heb een au-pair geregeld, ik heb jullie meegenomen op de boot.’
    ‘Hans,’ roept Monique, ‘Doe normaal!’
    ‘Dus Monique,’ gaat Hans onverstoorbaar verder, ‘toen je me vertelde dat je van me wilde scheiden, hoefde ik me niet in de logeerkamer op te sluiten. Ik hoefde niet bij de pakken neer te gaan zitten, want ik had me niet laten meeslepen in je ongeluk. Ik heb gezegd; schat, als jij denkt dat je zonder mij kunt, dan krijg jij van mij die ruimte. Even goede vrienden. Ik heb mijzelf een mooie auto en een leuke vriendin cadeau gedaan, en ik ben fluitend mijn weg gegaan. Omdat dat het voorbeeld is dat mijn kinderen nodig hebben.’
    ‘Peter,’ vraagt Monique. ‘Doe iets!’
    Ze huilt in ieder geval niet meer.
    ‘Nog even, Peter, ik ben zo klaar. Zelfs toen mijn vrouw niet alleen een scheiding bleek te willen, maar ook mijn huis, mijn geld en mijn auto – eigenlijk alles behalve mij – ben ik de dialoog aangegaan. En dat zal ik blijven doen, Monique. Tot de laatste cent. Onthoud dat.’
    Tevreden kijkt hij de zaal rond. Het is muisstil, de gasten kijken hem aan met een mengeling van afschuw en nieuwsgierigheid. Dus zo ziet sensatiezucht eruit.
    ‘Dat is mijn boodschap, Tim, Lotte. Je moet je wapenen tegen het verdriet. Verdriet is besmettelijk. Je moet afstand bewaren. Want verdriet maakt bitter. Kijk maar naar je moeder.’
    Het huilen is weer begonnen.
    ‘Pap! Stop!’ roept Tim. Maar Hans kan niet meer stoppen.
    ‘Daarom had ik jullie vandaag het liefst weer meegenomen naar de Efteling. Om afstand te bewaren. Maar helaas liet het allesverslindende verdriet van jullie moeder zo’n uitstapje vandaag niet toe. En dus heb ik een mooie, grote krans voor jullie gekocht. Met vrolijk gekleurde bloemen, en een breed lint met onze namen erop. Een positieve noot, voor bij jullie eerste begrafenis.’
    Peter heeft zich van achter de kist vandaan gewurmd, en werkt zich naar voren. Hans is nog steeds niet klaar.
    ‘Maar zoals u ziet staat de krans van mijn kinderen niet bij de kist. Mijn bijna ex-vrouw staat bij de kist. Met haar nogal uitbundige variant van verdriet. Pontificaal in het midden. Er staat wel een ander kransje naast haar. “Rust zacht. Monique en Peter, en de kinderen”.’
    Peter heeft het podiumpje nu bijna bereikt, de voorste rijen wijken uiteen.
    ‘Genoeg zo, Hans.’
    ‘Peter! Daar zal je Petertje hebben, het onderdeurtje, de invalkracht. Slap aftreksel van de man die ze had. Wat dacht je…’
    Verder komt hij niet. Peter slaat hem vol op zijn kaak. Hans proeft bloed, hij ziet de microfoon naast zich op de vloer, hij hoort gejuich. Iemand trekt hem omhoog en klemt zijn rechterarm achter zijn rug, zijn hoofd wordt aan zijn oor omlaag getrokken. Half rennend, half struikelend wordt Hans de zaal uitgeleid. Twee keer schopt hij met zijn eigen knieën tegen zijn neus. Bij de uitgang gooit Hans zich nog tegen de deurpost, richt zich op en schreeuwt: ‘Het zijn mijn kinderen! Monique! Hoor je me? Mijn kinderen!’
    Dan wordt hij weer in gang getrokken. Hij ziet een vloerkleed, een deurmat, grind.

    ‘Natasja, ik ben niet meer boos.’
    Hans zit in zijn auto te bellen.
    ‘Kwestie van een nieuw lakje erover en klaar, oké? Peter zal je er wel toe hebben aangezet. Die klootzak heeft mij ook nog geslagen.’
    Hans kijkt in de achteruitkijkspiegel, en zucht.
    ‘Ik ben bij de begraafplaats.’
    Het is vijf over elf, hij heeft nog tijd.
    ‘Goed, bel me even terug, wil je?’
    Hij bergt zijn mobieltje weg, start de Mercedes en rijdt stapvoets een rondje over het hoofdpad van de begraafplaats. Bij de enige zandhoop die hij vinden kan, parkeert Hans de Mercedes. Hij opent de bagageklep, maar hoe hij ook trekt, er is geen beweging in de krans te krijgen.
    Vanuit het tegenoverliggende hofje houdt een bejaarde vrouw hem nauwlettend in de gaten.
    Pas nadat Hans het zijportier geopend heeft en hij een paar keer tegen de krans heeft aangeschopt, laat de auto het ding los. Met enige moeite weet hij de krans rechtop tegen de auto aan te zetten. Een paar kleine beschadigingen, en helemaal rond is hij ook niet meer, maar Hans besluit dat de krans nog wel toonbaar is.
    Hij zet zijn rechterschouder eronder en strompelt naar de kuil. Daar plaatst hij de krans aan de kop van het graf tegen een steen. Nadat hij de uiteinden van het lint zorgvuldig recht heeft gelegd, stapt hij weer in zijn auto.
    De oude vrouw is overeind gekomen en staart hem onbewogen aan. In haar linkerhand heeft ze een bloemengieter. Hans glimlacht en zwaait even. Op het moment dat de vrouw haar hand opsteekt, trapt hij het gaspedaal diep in. Hij hoort het grind dat tegen de auto opspat. De vrouw maakt zich zo klein mogelijk, de gieter houdt ze voor haar hoofd. Hans glimlacht.
    In zijn achteruitkijkspiegel ziet hij de sporen in het pad.