Hij was altijd al erg pietepeuterig geweest.
Hij vond een klok uit, waarvan de wijzers zorgvuldig de tijd bij elkaar harkten, zodat er niets van verloren ging.

Negenendertig jaren van zijn leven had hij in het bouwen van zijn klok gestopt. Negenendertig, enkel onderbroken door slaap, eten en stoelgang. En toen de klok bijna af was – enkel de slinger moest nog bevestigd – haperde hij.

Wat hem nou precies aan zijn kindertijd had doen denken, wist hij niet, maar hij viel stil. Hij zakte op zijn stoel ineen, zijn grootste schroevendraaier nog in zijn hand, en keek naar de klok.

Zo zat hij dagenlang naast zijn werkbank, roerloos, en trachtte zich wanhopig de zoete parfum van zijn jeugdvriendinnetje te herinneren.

Op de avond van de derde dag gaf hij op, en besloot dat er niets anders op zat dan de klok af te maken.

Toen op de vierde ochtend de zon opkwam, hing de klok hoog aan de muur. De man slingerde eronder.

Met een tot het absolute minimum beperkt gebleven tijd- en energieverbruik (noem het cynisch, noem het efficiënt) geschreven opdracht voor schrijftraining: Schrijf een vervolg op de gegeven zinnen:

detijddie