(Vijfde gesprek met Het Hoofd)

Goedemorgen meneer Het Hoofd. Vergeef me mijn gebrek aan tact, en mijn overschot aan botheid, maar u ziet er verschrikkelijk uit.

Acht uzelf vergeven, jongeheer F. Ik voel zelfs enige opluchting bij zoveel vrijpostigheid, het is als thuiskomen. Niet altijd even prettig, maar wel altijd vertrouwd.

Welkom thuis dan, ik had u al gemist. Een omhelzing zou, gezien ons verleden en onze huidige verhouding, misschien wat overdreven zijn, maar een stevige, van warmte doortrokken handdruk acht ik wel op zijn plaats. U bent echt van slag, hè?

Van slag ben ik, jongeman, op hol geslagen was ik. Het werd me simpelweg allemaal teveel.

Wie sloeg u op hol, oude man?

Hier was sprake van spontane ontbranding. Het was niet eens de zucht naar het vreemde, naar onontgonnen terrein dat mij deed razen, het was de aloude drang te zijn wie ik niet ben.

Persoonlijk ben ik blij dat een persoonsverwisseling u niet vergund was. Versta mij niet mis, ik gun u iedere identiteit die u zich wenst. Doch, na zoveel jaren gezamenlijk optrekken treedt vergroeiing op. Wat ik zeggen wil: Ook bij mij scheurde het.

Mijn excuses, vriend F., voor het u aangedane leed. Ik dacht een breuk te forceren voor ons beiden, een bres te slaan in de ruimtetijd, om ons zo daar te brengen waar ik dacht ons te moeten brengen. Ik solliciteerde zogezegd naar een ideaalpositie. Uiteindelijk stootte ik mijzelf.

Beste meneer Het Hoofd, hoe kortzichtig van u! Wij zijn immers een schoolvoorbeeld van de bloem en de bij, de gemiddelde leeftijd en de farmaceutische industrie, de mammoettanker en de dieselvoorraad: wij houden elkaar in stand, en kunnen ons slechts als eenheid verplaatsen door landschap en geschiedenis. Niets dan de weg van de geleidelijkheid is ons gegeven.

Wanneer ik de buil die ik viel bewrijf, besef ik dat het ons gegevene vaststaander is dan ik wilde inzien.