I.

Ik ben in mijn hele leven slechts één keer naar de Efteling geweest. Ik was een jaar of acht, en dat hele sprookjesbos deed me helemaal niets. Het was allemaal nep, de magie ontbrak, de betovering bleef uit.

Nee, dan de vliegende tempel, de achtbaan, het piratenschip, daar viel wat te beleven. Mijn maag die het ene ogenblik tegen mijn keel aan drukte, het volgende tegen de zitting leek geplakt; mijn ogen, die niet meer wisten wat onder of boven was; en dat je na afloop met zeebenen weer op vaste wal aankwam.

Maar toen ik op school vertelde hoe gaaf – gaaf, want we spreken hier over de jaren tachtig – die attracties waren geweest, bleek de helft van de klas exact diezelfde ervaringen al gehad te hebben, en de andere helft van de klas had hun verhalen al gehoord. Mijn verhaal was een bekend gegeven, en daarmee totaal oninteressant. De Efteling bleek alleen leuk te zijn wanneer je er bent. De attracties bleken zo doelgericht dat er niets onverwachts gebeuren kan.

II.

‘Van al het maken is doodmaken het volmaakst.’ Een uitspraak van Gerrit Kouwenaar, een van de beste dichters die ons land ooit gekend heeft. Het is een aforisme zo welluidend, dat men het al bijna niet meer kritisch tegen het licht houden kan.

Maar impliceert zijn uitspraak niet ook dat datgene wat juist helemaal niets met maken van doen heeft een hogere graad van perfectie bereiken kan dan het volmaakst gemaakte? Houdt alle maken daarmee niet per definitie enige mate van doodmaken in? Is iedere constructie daarmee per definitie imperfect?

III.

De Franse filosoof Jacques Derrida, grondlegger van de Deconstructie, stelde dat iedere constructie waarmee we onze ervaringen organiseren opgebouwd is uit en onderhouden wordt door uitsluiting.

Zo wordt de kleur geel net zozeer bepaald door de tinten die we niet tot geel rekenen als door de groep die we geel noemen. Tussen geel en oranje zijn tinten aan te wijzen die de ene persoon als geel zal benoemen, en de andere persoon als oranje.

Het begrip geel is daarmee een levende constructie, in tegenstelling tot het begrip kleur. Het begrip kleur is vanzelfsprekend, is dood. Wat wel en wat geen kleur is, daarover valt niet te twisten. (Natuurlijk, men kan discussiëren over het begrip zwart, maar wie discussieert over zwart, heeft nog nooit zwart gezien.)

Dood is het begrip waarover men niet nadenkt.

IV.

Onlangs hoorde ik René Huigen, schrijver van beroep, wijze dingen zeggen over poëzie. Hij stelde dat een goed gedicht een machientje is, een gedachtenconstructie met geen ander doel dan zichzelf.

Een gedicht heeft niets buiten zichzelf nodig, het verwijst in principe ook naar niets buiten zichzelf. Iedere verwijzing is zelfreferentie.

Die beschrijving van een goed gedicht deed me denken aan de twee ‘suicide machines’ van de Nederlandse kunstenaar Thijs Rijkers. De ene machine was een elektrische zaag die in zijn eigen huis zaagde, de andere was een apparaat dat consequent zand in zijn eigen radertjes strooide.

Pure poëzie: een machientje dat als enige doel heeft zichzelf dood te maken. De ultieme uitsluiting, zelfs het doel van de constructie lag in zichzelf besloten.

Of toch niet? Want hoe was de constructie tot stand gekomen? Waarom had Thijs Rijkers deze machientjes bedacht? Voor ik het wist hadden ook deze machientjes me, zoals overigens ieder gedicht, doen speuren naar de bedoeling van de maker. Zoals ook Das Wohltemperierte Klavier iets lijkt te willen van mijn brein, of het schilderij La Poétesse van Miró en ieder willekeurig verkeersbord langs de openbare weg.

Is dat dan wat er mis is met de dingen die geconstrueerd zijn, door mensen gefabriceerd? Dat ze een doel dienen? dat ze een boodschap hebben? Dat ze me in een richting willen duwen?

V.

Op 17 september 2014, om kwart voor twaalf, stond ik aan de rand van Bow Lake, tussen de Canadese Rocky Mountains. Het meer bood een uitzicht dat iedere beschrijving tart. Ik kan enkel de indruk van mijn ervaring omschrijven, hoe weeïg die omschrijving ook moge klinken: al wat van mij overbleef was een aanwezigheid, een bestaan. Ik was.

Dat eenvoudige zijn is een staat die ik zelden bereik, mijn ervaringen met enkel aanwezigheid zijn op minder dan een hand te tellen. En dan hielden die ervaringen ook nog eens kort stand. Deze zijnservaring aan Bow Lake duurde langer dan ik ooit had meegemaakt.

Mijn brein, en ik denk dat dat voor praktisch ieder menselijk brein geldt, heeft nu eenmaal altijd een agenda, en anders zoekt hij er een. Of hij krijgt er een opgedrongen. Zoals de muziek van Bach, de kunst van Miró, ieder verkeersbord, de Efteling.

Het uitzicht aan Bow Lake had nou juist dat zijnseffect op mij omdat het totaal onverschillig was, het had geen enkele boodschap aan mij, met mijn zelfbewustzijn. Het probeerde me nergens toe te verleiden, trachtte geen enkele betekenis of beleving aan mij op te dringen. Was ik na een enkele blik uit het raampje van mijn auto doorgereden, had de natuur zich in het geheel niet beledigd of genegeerd gevoeld. Over vijftig jaar ben ik dood, en is dat uitzicht nog even agendaloos aanwezig als nu.

VI.

De mooiste pretparken zijn nooit gebouwd.